TOETEREN!
Ik ben een boot met ogen. Die heb ik wel nodig voor mijn
avontuur. En ik heb ook een stem. Ik mag alleen fluisteren. Maar als het mistig
is, moet ik zo hard mogelijk toeteren. Dan weet je dat alvast.
Ik ga op reis. Ik wil weten waar de zee begint en waar de
zee eindigt. Ergens moet de zee ophouden. Ergens aan het begin, of aan het
einde van de wereld.
Dus stiekem vaar ik weg… Het is spannend.
Ik ben geboren omdat iemand mij vouwde. Er zijn mensen die
dat kunnen. Om van papierboot naar passagiersboot te groeien, moest ik vele
examens doen.
Ik werd een rubberboot door 2 keer door de sluizen te varen.
Vervolgens kon ik een zeilboot worden, maar dan moest ik 5 keer door de sluizen
heen en weer. De volgende stap was de plezierboot met motor. En dat was
plezier! Ik deed het zo goed, dat ik het vissersboot-examen mocht overslaan. En
toen de stap naar het passagiersschip: 20 keer door de sluizen! En ik ben
geslaagd.
SCHOON SCHRIFT
Er zijn alleen geen passagiers. Helaas. Niemand wil met me
mee. Daarom ga ik alleen. Dan mag ik zelf mijn koers bepalen. Er is niemand die
zegt hoe ik moet varen.
Op de dag dat ik in mijn eentje wilde vertrekken, stond Frau
Emmer aan de wal. Ze wilde schoonmaken. Ik zei: “Straks vaar ik weg, dus ik
hoef geen schoonmaak. Ik ben alleen en ik blijf alleen. En het schip is schoon
en blijft schoon.”
“Waarom fluister je?” vroeg ze.
Ik antwoordde: “Omdat ik alleen mag toeteren als het mist.”
“Ik kan en mag wél gewoon praten, maar ik kan niet lezen en
ik kan niet schrijven,” fluisterde ze terug. “Maar dit is geheim.”
“Reis maar met me mee. We komen onderweg de Letterzee
tegen. Je hebt aan boord genoeg tijd om het te leren. Maar, je mag
pas aan boord als je leeg bent,” zei ik.
Ze opende het kraantje en het sopwater stroomde
eruit. Ze mocht aan boord.
WONDERVERF
Op de dijk liep een mooi meisje met een bruine hond.
“Mooie hond!” riep Frau Emmer.
“Ik wil liever een witte hond met zwarte vlekken,” zei het meisje. Frau Emmer
schudde haar hoofd. “Jammer dat ik je hond niet kan wassen,” zei ze. “Mijn
zeepwatersop is op.”
“Nee hoor,” zei het meisje. “Mijn hond is schoon. Ik zoek
witte verf met zwarte vlekken, zodat ik hem kan schilderen.”
Frau Emmer zei dat ze onderweg zou kijken of ze die verf kon
vinden.
HONDERD BEDDEN
En zo begonnen we aan onze onbekende reis. Ik maakte een
lijstje van de dingen die we onderweg moesten doen:
- de Letterzee vinden
- een pot witte verf met zwarte stippen zoeken
Toen we de rivier achter ons lieten en naar de zee voeren,
zag ik iemand in het water. Er was geen mist, maar ik toeterde toch. Heel hard.
De vrouw in het water riep: "Waarom toeter je?! Ik schrik er van!"
"Omdat je in gevaar bent!"
"Ik ben een zwemmer," zei ze. "Ik zie geen gevaar."
"Waar ga je heen?" vroeg ik.
"Naar de overkant!" zei ze.
"Maar er is geen overkant," fluisterde ik. "De zee eindigt of
begint ergens."
"Jawel, hoor!" riep ze. "Als ik de overkant haal, krijg ik heel
veel geld. Daarvan koop ik 100 bedden voor een ziekenhuis dat geen bedden
heeft!"
Ze zwaaide en zwom verder.
OP 1 LIJN
Ondertussen schrokken ook de dansende vissen van mijn
getoeter!
"Waarom dragen jullie een koptelefoon?" vroeg ik.
"We hebben last van je lawaai," zei een dansende vis. "Onze
vinnen zijn te klein om onze oren te beschermen!"
De vissen dansen één keer per dag de lijndans. Zo komen ze
altijd op 1 lijn en maken ze geen ruzie. Ik vond dat een goed idee.
"Willen jullie mee aan boord?" vroeg ik. "Ik breng jullie naar
een plek in de zee waar vissen wel eens ruzie maken. Daar kunnen jullie
misschien helpen. Tot die tijd kunnen jullie even in de Frau Emmer
zwemmen."
Frau Emmer zei: “Ik ga me vullen met water en dan hengel ik
jullie binnen!”
De dansende vissen waren blij. In Frau Emmer was genoeg ruimte. Omdat ze even
niet hoefden te dansen, konden ze lekker uitrusten. Het voelde als vakantie.
Eén van de vissen zei: “Maak ons maar wakker als we ergens de lijndans moeten
doen.”
Het werd stil en rustig. Af en toe fluisterde ik naar de
wolken:
“Waar is de wind die mij naar de juiste plek brengt?”
OP DE VLUCHT
De volgende dag moest ik toch weer toeteren. Ik zag een
rubberboot. En ik zag gevaar. Toen ik examen deed om passagiersboot te worden,
leerde ik dat een rubberboot niet op zee mag varen. Frau Emmer en de
stille vissen werden boos. “Je toetert! Waarom maak je ons wakker?
Ik antwoordde: “Ik doe een vlugge telling. Het zijn er 11.
We moeten ze redden!”
11 Vluggetellingen in de rubberboot. Op zoek naar een ander
land.
Ik riep naar de 11: “Ik weet niet of er aan het begin of
einde van de zee een ander land is. Maar kom aan boord”
Frau Emmer rolde de ladder naar beneden, zodat de
Vluggetellingen omhoog konden klimmen. Frau Emmer wilde ondertussen de nieuwe
gasten aan boord wel schoonmaken.
De Vluggetellingen riepen: “Nee, niets schoonmaken, niets
uitwissen! Als we geen vingerafdrukken hebben, bestaan we niet!”
Frau Emmer vroeg: “Waar komen jullie vandaan?”
De Vluggetellingen keken verdrietig en zeiden: “Uit een land
waar iedereen boos is op elkaar. En iedereen is bang.”
De vissen keken nieuwsgierig over de rand van Frau Emmer en
riepen: “Laten we naar dat land varen! Laten we daar onze lijndans doen!
Misschien worden de mensen dan weer lief voor elkaar. De Vluggetellingen vonden
dat een goed idee. “We willen jullie de weg wijzen,” zeiden ze, “maar we
blijven op de boot. We durven pas terug als niemand meer bang is.”
NIET GOED IN JE VEL
En zo draaide ik aan het stuur en voeren we een andere kant
op.
We gingen op weg naar het boze-mensenland.
De vissen lagen weer lekker te slapen in Frau Emmer. De
Vluggetellingen zongen vrolijke liedjes in een taal die ik niet kende. In de
verte zag ik een eiland. Toen we dichterbij kwamen, zag ik iets heel geks:
lopend fruit! Het was heel kleurrijk: groen, geel, oranje en rood.
Ik toetertje zachtjes. Het lopende fruit kwam nieuwsgierig
naar het strand gelopen.
“Mogen we met je mee?” vroeg Pinananas.
De dansende vissen werden langzaam wakker. De elf
Vluggetellingen begonnen blij te zwaaien.
“We willen hier weg!” riep Tofe Peer.
“De mensen vinden ons niet goed genoeg. We zijn heel lekker, maar we zien er
een beetje raar uit. Niemand wilde ons kopen. Daarom zijn we uit de vuilnisbak
van de winkel ontsnapt.”
Ik fluisterde dat ze mee mochten.
“Maar eerst gaan we naar het boze-mensenland,” zei ik. “Daar gaan de
lijndans-vissen dansen, zodat de mensen weer lief voor elkaar
worden. Zoek maar een plekje op de boot en zing gezellig mee.”
Het fruit klom aan boord.
NOORD, WEST, ZUID, OOST
Ondertussen zwaaiden de Vluggetellingen met hun armen om me
te laten zien welke kant ik op moest varen. Daar, daar! Links! In de verte kwam
boze-mensen-land in zicht. Toen we dichterbij kwamen, kropen de Vluggetellingen
in het ruim, want ze wilden niet gezien of herkend worden.
Voor de kust van boze-mensen-land zag ik iets de zee
drijven. Frau Emmer hengelde het uit het water. Het was een weerhaan en hij
spartelde.
“Waar kom jij vandaan?” vroeg Frau Emmer.
“Ik ben van de toren gewaaid. Ik was altijd belangrijk,
omdat ik gewend was steeds de goede richting aan te geven door met alle winden
mee te waaien. Noord, west, zuid, oost. En alles daartussenin. Nu ben ik niets
meer,” jammerde de weerhaan.
“Ok, kom dan ook maar aan boord,” fluisterde ik. “Frau Emmer
gaat je op de mast zetten en dan geef jij mij de richting aan: ik ben op zoek
naar waar de zee begint en waar de zee eindigt. En we moeten de Letterzee
vinden. We zijn met al onze omzwervingen uit koers geraakt. En we zijn
ondertussen met velen. Dus jij kunt er ook nog wel bij. En bovendien voel je je
weer belangrijk. Als je ons maar in de goede richting brengt…”
ALS JE GOED LUISTERT
We naderden boze-mensen-land. De dansende vissen sprongen
van boord, op zoek naar de boze mensen om ze te leren op 1 lijn te dansen.
Eén van de Vluggetellingen riep: “Jullie vergeten de
koptelefoons! Die heb je daar nodig. Er loeien de hele dag sirenes en
luchtalarmen.
De dansende vissen zwaaiden met hun vinnetjes en riepen
blij: “Binnenkort zullen hier alleen nog maar mooie geluiden te horen zijn:
koerende vredesduiven, zingende kinderen, de zachte zucht van de zee,
kwetterende vogeltjes… Die koptelefoons hebben we niet meer nodig…”
VOORWAARTS!
Ik wilde niet wachten. Zou het de dansende vissen lukken om
alle boze mensen op 1 lijn te krijgen? Dat zou zeker tijd kosten.
En dit moest ik nog allemaal doen:
- op zoek naar de Letterzee
-en naar een pot witte met zwarte stippenverf
-de Vluggetellingen naar huis brengen op de terugreis
-ergens supermarkt vinden waar Toffe Peer en Perzik blij zijn
- dat de weerhaan zijn snavel snoeren; hij was te veel aanwezig.
Frau Emmer zei: “We moeten verder. Ik wil leren schrijven en
lezen en jij wilt het eind of het begin vinden.” Ze had gelijk. Ik fluisterde:
“We gaan. Doe jij goed je best, dan doe ik het ook.”
OP ZOEK NAAR DE LETTERS
Het duurde 123 dagen om bij de Letterzee te komen. Frau Emmer
wachtte geduldig en de Vluggetellingen durfden weer naar buiten te komen. Ze
riepen af en toe iets naar de weerhaan: “Hoever kun je kijken? Denk je dat de
dansende vissen alle boze-mensen al blij hebben gemaakt?” Maar de weerhaan
antwoordde iedere keer: “Ik zie niets meer. We zijn te ver weg. En bovendien
ben ik vooral bezig met mezelf: ik ben nu belangrijk op dit schip. Ik bepaal
waar we heen varen.”
Frau Emmer schreeuwde terug: “Als je denkt dat je hier de
baas bent, heb je het mis! We gaan naar de Letterzee!”
Tofe Peer en Perzik werden ook een beetje ongeduldig. Perzik was blij met haar nieuwe zachte huid, haar nieuwe hart. En Tofe Peer wilde toch echt een nieuwe naam.
WIT MET ZWARTE STIPPEN
Maar eerst moesten we een groot stuk plastic aan boord
halen. Het dreef op het water.
Frau Emmer zei: “Plastic hoort niet in de zee.” De
kleermaker-vluggetelling had een idee: “Ik maak er een regenjas van, voor
bruine hond. Dan hoeft mooi meisje de hond niet te schilderen en blijf hij
altijd droog tijdens buien!”
HOE 1 LETTER JE LEVEN VERANDERT
Eindelijk bereikten we de Letterzee. Het water werd steeds
lichter en we zagen ze allemaal drijven, de letters. “Wij gaan je helpen met lezen en schrijven,
Frau Emmer” riepen Perzik en Tofe Peer. We vissen alle letters uit de zee die
we nodig hebben.”
Ik fluisterde: “In het gewone leven beginnen we altijd met
de A, de eerste letter van het alfabet. Maar we gaan nu op zoek naar de F.”
Tofe Peer hengelde de F aan boord. Wat was hij blij!
Eindelijk was hij helemaal compleet: een toffe Peer! Frau Emmer sloot zich
daarna op in het ruim en bleef dagen oefenen met alle letters.
OMDAT HET KAN
Tijdens de lange nachten op die eindeloze zee dacht ik soms
aan het mooie meisje met de bruine hond die ze graag wilde omtoveren in een
witte hond met zwarte stippen. Nu kreeg de hond een regenkostuum…
Na 36 dagen vloog er een duif aan boord. “Ik wil jullie
vertellen dat in boze mensenland iedereen blij is! De mensen hebben geluisterd
naar de dansende vissen.”
De Vluggetellingen dansten en riepen: “Breng ons terug naar
ons land en onze familie.” Ik antwoordde: “We gaan eerst op zoek naar het begin
of het einde van de zee. Duif vertelt dat jullie binnenkort terugkomen. Op de
terugreis breng ik jullie thuis.”
NIET KLAGEN
Het werd kouder. De 11 Vluggetellingen riepen: in ons land
is het veel warmer. Frau Emmer had een extra poetslap om zich heen
geslagen. De weerhaan bleef jammeren. Boven in de mast was het nog kouder dan
aan boord. De Vluggetellingen gebruikten de achtergelaten koptelefoons als
oorwarmers.
En ik? Ondanks dat ik het begin of het einde nog niet had
gevonden, was ik blij! Eindelijk waren er allemaal passagiers aan boord die ik
een klein beetje kon helpen. En nog mooier: ze hielpen elkaar. Dát maakte me
vooral blij.
NATTE VOETEN
Het was 42 dagen nadat de duif het goede nieuws aan boord had
verteld, toen ik in de verte ijsschotsen met pinguïns zag. Ze zwaaiden en leken
ongerust
“Help, help! Het water wordt steeds warmer! Onze ijsschotsen
smelten. Straks hebben we geen ijs meer onder onze voeten.”
Ik fluisterde: “Frau Emmer, liggen er spullen in onze
koelkast?”
“Niets,” antwoordde ze. “De ijskast is helemaal leeg.”
“Onze koelkast is leeg,” riep Frau Emmer. “Jullie
mogen ‘m hebben, want wij gebruiken ‘m niet. Zet de deur open, dan komt de kou
naar buiten!”
En zo kwam het dat de pinguïns er met onze koelkast vandoor
gingen… Ik dacht: “We hebben weer een probleem opgelost.”
TERUG NAAR BLIJ
We gingen verder varen. De Vluggetellingen riepen ineens:
“We zijn thuis!!” Ze herkenden de haven van de plaats waar iedereen boos op
elkaar was. We zagen vlaggen en vrolijke kleuren. Op het strand dansten
kinderen, samen met de vissen die alle ruzies hadden opgelost.
De Vluggetellingen stapten van boord. Toffe Peer en Perzik
wilden mee.
“Ik denk dat we hier gelukkig worden, want hier kijken mensen niet naar hoe we
er uit zien, maar hoe we van binnen zijn”
Ik toeterde een aantal keren heel hard om de mensen aan wal
te laten horen dat we er aan kwamen. De 11 Vluggetellingen zwaaiden en
wapperden met de poetsdoeken die Frau Emmer toch niet gebruikte. Allemaal
strooiden we de overgebleven letters in het water.
“En ik dan?” Vroeg de weerhaan.
Frau Emmer antwoordde: “We komen vast een plek tegen waar
jij weer met alle winden mee kan waaien. Heb geduld.”
De Vluggetellingen omarmden hun familie en vrienden, maakten
muziek en wij reisden verder…
Ik vroeg me af waarom we het niet gevonden hadden: de plek
waar de zee begint of ophoudt.
WEER THUIS?
Na 164 dagen zag ik in de verte: land in zicht! Ik pakte de
verrekijker en zag Mooi Meisje met bruine hond op de dijk lopen. Ik toeterde.
Frau Emmer kwam geschrokken naar buiten; ze sleepte een rij letters achter zich
aan.
“Volgens mij zijn we thuis?” fluisterde ik. Er kwamen steeds
meer mensen op de dijk. Ze zwaaiden en riepen. Sommige hadden slingers en
vlaggen. De weerhaan begon te kraaien.
“Nou, als dat zo is, moet ik toch het schip schoonmaken,” zei Frau Emmer. “Al die ananasschillen, koptelefoons, stukken plastic…” Ik keek naar de troep op het dek: allemaal herinneringen aan de bijzondere momenten die we samen aan boord hadden beleefd.
Mooi Meisje zwaaide naar me. Ik liet Frau Emmer terugzwaaien
met de witte-regenjas-met-zwarte-stippen. Bruine hond rende ons tegemoet.
Sommige mensen riepen: “Mogen we de volgende keer mee aan
boord?” En: “Mogen we mee om anderen te helpen?” Frau
Emmer werd blij en gooide alle J’s en A’s in het
water. De weerhaan zag een kerktoren en vloog er heen om op de spits
plaats te nemen.
En ik? Ik begreep het ineens. Mijn reis om het begin of het
einde van de zee te vinden was niet gelukt. Maar door te geloven in iets wat er
misschien niet is, had ik ondertussen hele mooie dingen gedaan, bijzondere
plekken gezien. En mensen geholpen. En dat bracht me uiteindelijk gewoon weer
thuis waar ik hoorde.
Ik hoefde voorlopig niet meer te toeteren: de lucht was
helder, er waren geen problemen. Ik mocht gewoon weer in mijn eigen haventje
liggen. De kinderen wilden aan boord spelen en alle grote mensen vroegen: “Wanneer
ga je weer varen? Mogen we mee?”
No comments:
Post a Comment